Leestijd: 7 min. | Anna Kole-Vos
“Als mensen zelfs Jezus afwezen, dan zullen ze dat bij ons al helemaal doen,” zegt Rik-Jan. Als zendingswerker hoop je natuurlijk dat de mensen met wie je het evangelie deelt, tot geloof komen. Het kan echter gebeuren dat de mensen met wie je jarenlang optrekt, plotseling de deur dicht doen en niets meer met Jezus te maken willen hebben.
Dit overkwam Rik-Jan en Hester Willemsen. Zij wonen sinds 2020 met hun vier kinderen in Xingang, een Taiwanees dorp dat vol staat met tempels. Samen blikken ze terug op de eerste zes jaar zendingswerk. De combinatie van gezinsleven en kerkplanting is niet altijd makkelijk, zeker als werk en privé voortdurend door elkaar lopen. En: hoe ga je ermee om als je goede vrienden, die steeds meer interesse leken te krijgen in het geloof, ineens besluiten dat het evangelie niets voor hen is?
Gezin
De eerste jaren op het zendingsveld bestonden vooral uit taalstudie. Ook de kinderen werden direct ondergedompeld: zij werden ingeschreven in een lokale, Taiwanese school. Al met al een uitdagend begin, voor het hele gezin. “Maar dat kun je ook wel verwachten als je naar een vreemd land verhuist,” zegt Hester. “Vooral bij de kinderen was er frustratie. De eerste twee jaar konden ze amper begrijpen wat er van hen verwacht werd, omdat ze hun leraren niet konden verstaan. Het is altijd lastig om te zien als je kinderen het moeilijk hebben. Toch heeft God ook daarin heel goed voor ons gezorgd. De kinderen hadden fijne juffen, wij kregen goede hulp van collega’s. En op de momenten dat je zelf niets kan doen voor je kinderen, ga je dat met elkaar bij God brengen. We hebben samen met onze kinderen veel gebeden. Zij ervaren regelmatig dat God hen echt helpt en zelf bidden ze nu ook heel snel voor kleine dingen.”
“Met het kinderlijke geloof dat onze kinderen hebben, zijn ze echt een bemoediging voor ons.”
Daar heeft Rik-Jan een mooi voorbeeld bij. “De eerste keer dat we voor ons verlof weer teruggingen naar Nederland, werd ons vliegtuig steeds uitgesteld. Toen zei Jolie, onze oudste: we kunnen er ook gewoon voor bidden. Net nadat ze ‘amen’ had gezegd, werd er omgeroepen dat ons vliegtuig over een aantal minuten zou vertrekken. We hebben zoveel mooie gebedsverhoringen meegemaakt, ook als onze kinderen bidden.”
“We doen dit echt als gezin,” benadrukt Hester. “De kinderen zijn gewoon volop onderdeel van onze bediening. Zij zijn een manier waarop we contact krijgen met de lokale bevolking, onder andere in het kinderwerk dat we doen. En ze zijn ook heel betrokken op hun omgeving. We bidden met elkaar voor de mensen die in ons leven zijn. Als wij soms iemand vergeten, bidden zij er wel voor. Ze zijn daarin heel trouw.”
“Natuurlijk worden niet alle gebeden verhoord,” vertelt Rik-Jan. “Wij weten ook niet altijd wat Gods wil is en dat spanningsveld is er ook voor onze kinderen.” Maar, besluit Hester: “Met het kinderlijke geloof dat ze hebben, zijn ze echt een bemoediging voor ons.”
Relatie
De scheidslijn tussen werk en privé is soms ver te zoeken; niet alleen met de kinderen, maar ook als man en vrouw. Hester vertelt: “We zijn niet alleen elkaars partner, maar ook collega’s. Alles is met elkaar verweven. Dat is aan de ene kan iets heel moois: we zijn als gezin veel samen. Maar je bent wel heel erg op elkaar aangewezen. Waar je in Nederland nog allebei een vangnet om je heen hebt, ben je in Taiwan elkaars vangnet. Als de ander niet lekker in zijn vel zit, dan moet je uitkijken om je daar niet door te laten meeslepen.”
Rik gaat verder: “Het is echt leuk om samen nieuwe dingen te ontdekken en samen op avontuur te gaan. Het is zelfs iets fantastisch moois. Maar je wereld kan er soms ook wel klein door worden.”
“Waar je in Nederland nog allebei een vangnet om je heen hebt, ben je in Taiwan elkaars vangnet.”
Ze doen hun best om elkaar vast te houden. Hester vertelt: “In de ochtend bidden we altijd met elkaar. We checken dan ook in hoe het echt met de ander gaat, en leggen dat dan bij God neer. Als de kinderen naar school zijn, gaan we er wel eens samen op uit. Tijdens een wandeling proberen we dan om niet de hele tijd over onze bediening te praten.”
Toch blijft het bijzonder om aan een gezamenlijk doel te werken. “Je gaat samen door zoiets unieks heen. We zijn nu als stel veel dieper verbonden dan we voorheen waren.”
Teleurstellingen
Dat werk en privé door elkaar heen lopen, wordt ook op andere vlakken duidelijk. Rik-Jan en Hester raakten bevriend met een Taiwanees stel dat geïnteresseerd was in het christelijk geloof. Lange tijd liepen Rik-Jan en Hester met hen op en het stel wilde steeds meer leren. Tot ze ineens de deur dichtdeden voor God. Het was niet de eerste keer dat Taiwanezen het geloof afwezen, maar het deed wel het meest pijn.
“Het was wel een reality check,” vindt Rik-Jan. “Dit is ook onderdeel van het zendingswerk. Je werkt met mensen, er is geen product dat je aflevert. Toen ik stratenmaker was, was ik een paar dagen aan het straten en toen was het klaar. Maar hier kun je heel lang met mensen optrekken zonder dat het zichtbare vrucht draagt. Dat is zwaar. Je ziet dat deze mensen Jezus zo hard nodig hebben. Je wilt dat ze floreren in hun leven, dat het goed gaat in hun gezin en hun huwelijk, en met hun mentale stabiliteit.”
Hester vult aan: “We hebben een schat in handen, maar niet iedereen ziet dat.”
“Zo’n afwijzing brengt dichterbij wat Jezus Zelf heeft ervaren,” ziet Rik-Jan. “Hij werd door velen afgewezen, Hij werd zelfs aan het kruis genageld. Als mensen Jezus afwijzen, dan zullen ze het bij ons al helemaal doen. Het maakt je nederig. En het is ook goed dat wij afwijzing en eenzaamheid ervaren. We weten dat veel mensen in Taiwan worstelen met onzekerheid, afwijzing en eenzaamheid. ‘Vrienden zorgen voor hoofdpijn’ is een bekend gezegde voor een Taiwanees. Veel dingen blijven onuitgesproken, waardoor afwijzing en daarmee eenzaamheid snel op de loer ligt. Het is heel heilzaam voor ons dat wij dat ook meemaken. Zo kunnen wij ons meer in hun lijden en onzekerheid verplaatsen.”
“Hier kun je heel lang met mensen optrekken zonder dat het zichtbare vrucht draagt.”
Bovendien heeft het meer ontspannenheid in het werk gebracht, ziet Rik-Jan. “Als mensen interesse hebben in het geloof, zie je potentieel en kan je daar soms te veel hoop op stellen. Maar we moeten onze hoop niet op mensen bouwen. We mogen hopen op God. We hebben allebei een groot verantwoordelijkheidsgevoel, maar hierdoor hebben we geleerd dat we dat wat meer los mogen laten. Het gaat ook niet om onszelf. We hebben door dit hele proces heen geleerd dat wij minder moeten worden. God moet meer worden. Het gaat om Hem.”
De eerste zes jaar zendingswerk
Verder hebben ze in de afgelopen zes jaar vooral mogen zien hoe God voor hen zorgt. Hester zegt: “Als ik terugkijk, zie ik vooral Zijn voorziening. Je neemt een stap, terwijl je helemaal niet weet hoe de toekomst eruit gaat zien. Er was niks in Xingang toen we er kwamen wonen. Dan denk je: hoe gaat dat ooit gebeuren, hoe gaan we het ooit voor elkaar krijgen om hier een gemeente te stichten? Maar in de loop van de tijd zie je dat God mensen op ons pad heeft gebracht. Hij heeft een plan. Zijn licht zal schijnen in de duisternis.”
“Zendingswerk bestaat voor een deel echt uit strijd. Lijden en zegeningen gaan hand in hand.”
Ondanks dat Gods plan niet altijd direct zichtbaar is, is Hij heel dichtbij. Zowel in de vreugdemomenten als in het lijden. “Zendingswerk bestaat voor een deel echt uit strijd,” ervaart Rik-Jan. “Lijden en zegeningen gaan hand in hand. Het geeft heel veel voldoening als je levens ziet veranderen, maar het kan ook heel pijnlijk zijn als dat na lange tijd nog steeds niet gebeurt. Toch geloof ik dat lijden een onderdeel is van onze getuigenis als christen.”
Hester bevestigt: “Als christen ga je nooit alleen door het lijden heen, want je weet dat God met je is. Juist op de moeilijke momenten voel je Zijn aanwezigheid. En als je de vrede van God ervaart, kun je alles aan.”
Het is geen gemakkelijke opgave om een kerk te planten in een dorp vol tempels. Maar ondanks de teleurstellingen zien Rik-Jan en Hester dat ze groeien als gezin, als man en vrouw, en als kinderen van God. Rik-Jan besluit: “We leven nu veel meer met het eeuwigheidsperspectief. Met onze voeten op aarde, met ons hoofd in de hemel.”



