Uit de mond van kinderen…

Als het in de Bijbel gaat over kinderen, staat dit vrijwel altijd in de context van de zegen van God en de verheerlijking van Zijn grote Naam. ‘Zie, kinderen zijn het eigendom van de HEERE, de vrucht van de schoot in Zijn beloning’ (Psalm 127:3). Het verlangen naar en de belofte voor kinderen is een belangrijk onderdeel van de verhalen in de Bijbel. Heel duidelijk wordt dit in de geschiedenis van Abraham en Sara die decennialang verlangden naar een kind. Maar denk ook aan de geschiedenissen van Izak en Rebekka, Jakob en Rachel, Elkana en Hannah, Manoach en zijn vrouw, Zacharias en Elizabeth. De verhoring van hun gebeden wordt geloofd en beleefd als een grote zegen van God, en God wordt hierin verheerlijkt. In het nieuwe Testament lezen we ogenschijnlijk minder verhalen over kinderen. Eén verhaal springt er natuurlijk wel uit, dat van onze Heer en Heiland Jezus zelf. Als Jezus volwassen is zien we hoe Hij enkele keren kinderen centraal zet.

Opeens is daar die kleine jongen. Hij loopt met een mandje met vijf broden en twee vissen rond in een enorme mensenmenigte. Hij probeert zijn vijf broden en twee vissen te slijten. Hij zal de nodige corrigerende opmerkingen gekregen hebben en vaak ook domweg genegeerd zijn. Nog even en hij gaat terug naar z’n ouders en naar huis. Opeens wordt hij aangesproken door een grote man: ‘He, jij daar! Kom, we hebben eten nodig!’ Voordat hij het weet staat hij dicht bij de grote Rabbi voor wie iedereen is uitgelopen. De grote man, Petrus,  zegt tegen Jezus: ‘Ik heb wat eten gevonden, maar wat stelt dat nou voor? Kijk hoeveel mensen er zijn!’ De Rabbi zegt: ‘Zorg dat iedereen gaat zitten’. Dan richt Hij zich naar de jongen: ‘Mag ik je brood en je vis hebben’? ‘Uhm, oké, maar……’

Psalm 8:3 zegt dat God uit de mond van kleine kinderen en baby’s een sterk fundament heeft gelegd. Een sterk fundament dat de kritische en vaak ook sceptische en cynische houding van ons volwassenen de mond zal snoeren. De Heere Jezus haalt deze tekst aan in Mattheus 21. Vlak daarvoor is Hij als held en langverwachte koning van de joden binnengehaald: ‘Hosanna, de Zoon van David! Gezegend Hij die komt in de Naam van de Heere! (vers 9). De stemming slaat echter snel om als deze gedroomde Koning de vloer aanveegt met de commercie in de tempel (vers 12). Hij kan het niet aanzien dat de Naam en eer van Zijn Vader ontheiligd wordt. Alle euforie is weg en het gezang verstomt. Of toch niet? ‘Hosanna, de Zoon van David’. Een groep kinderen is door blijven zingen, daar waar de volwassen gestopt zijn. Zoals de discipelen zich een tijd terug ergerden aan de kinderen die naar Jezus toekwamen, zo ergeren nu priesters en Schriftgeleerden zich aan het getuigenis van deze kinderen. ‘Hoor je wel wat deze kinderen zeggen?’ Jezus antwoord is kort: ‘Ja’. Om dan te vervolgen: ‘Heb je nooit gelezen dat God uit de mond van jonge kinderen en van baby’s voor Zichzelf lof tot stand brengt?’ (vers 16).

De jongen met de vijf broden en twee vissen…..de kinderen op het tempelplein: ze zijn een voorbeeld voor ons want ‘voor hen is het Koninkrijk van God’ (Marcus 10:14). Wat is hun voorbeeld dan precies? Als we zoals kinderen met onze mond belijden en aanbidden – ook als anderen dat niet meer doen –  en als we zoals kinderen Hem geven wat we hebben – ook al zeggen anderen dat het niets voorstelt -,  gaat Hij een sterk fundament leggen tot zegen voor ons en tot eer en verheerlijking van Zijn naam. Jan Visser zegt het zo in het mooie kinderlied:

Vijf broden en twee vissen, die gaf ik aan de Heer.
Hij dankte God en brak ze in wel duizend stukjes meer [….] Ik zag het voor mijn ogen, het werd zoveel en groot
Alles wat ik heb dat geef ik aan de Heer
Hij mag het nemen en gebruiken tot Zijn eer

Dank u Heer voor de zegen en het wonder van kinderen en het voorbeeld dat U hierin voor ons nalaat!

Neem contact op

Heb je een vraag? Laat het ons weten via de e-mail. Wij beantwoorden je e-mail zo snel mogelijk!